Han Smit
Johan J. (Han) Smit
- Periode: 1956-1989
- Archiefinstelling: archief Tresoar, Leeuwarden, Kooikersvereniging, IJsselstein
- Locatie: waterrijke delen van Nederland
- Soorten: duikeenden, zwemeenden, “grauwe” ganzen, rotgans, ooievaar, goudplevier, weidevogels (grutto, kievit, houtsnip, watersnip, kemphaan), kwartel, patrijs, (kleine) zangvogels
- Bron: voormalig archief “ITBON, “oral history” verslagen, gebundelde losse aantekeningen
- Inleiding
Johan Jan (Han) Smit, geboren 28 november 1928, overleden 17 januari 2018, kreeg al op jonge leeftijd belangstelling voor de vogelwereld van de Zaanstreek, waar hij het levenslicht aanschouwde en opgroeide. In 1956 werd hij op het Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur (ITBON) te Arnhem bij de afdeling Wildonderzoek aangesteld als assistent van J.A. Eygenraam (1907-1977) bij diens onderzoek naar goudplevieren (“wilsters”), eendenkooien en ganzenvangst. Tijdens dit onderzoek kreeg hij steeds meer belangstelling voor de landschapsontwikkeling van de gebieden waarin de vogels werden gevangen (vooral de zoete natte gebieden van ons land), het vroegere landgebruik en oude vogelvangtechnieken.. In de loop van de jaren ging hij zich als zelfstandig onderzoeker steeds meer op deze onderwerpen toeleggen. Hij heeft zo tientallen jaren boeren en vogelvangers op leeftijd naar allerlei details hierover ondervraagd (“oral history”).
Vanaf het midden van de jaren vijftig organiseerde hij jaarlijks een of meer wadvogelkampen op Vlieland, eerst vanuit de Vogelwerkgroep van de NJN en de KNNV (Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging), daarna tot en met 1969 voortgezet als kampen van de Werkgroep/Stichting voor Oecologisch Waddenonderzoek.
- Archiefbeschrijving
Het archief van Han Smit bestaat uit door het ITBON verzamelde overzichten van vangsten van individuele goudplevierenvangers (“wilsterflappers”), beschrijvingen en vangstcijfers van individuele eendenkooien, ringgegevens van rietganzen en losse aantekeningen over het vroegere landschapsgebruik en vogelvangtechnieken. De gegevens over goudplevieren zijn inmiddels ondergebracht in Tresoar, het provinciaal archief van Fryslân te Leeuwarden. Het eendenkooiarchief is overgedragen aan de kooikersvereniging te IJsselstein. Te zijner tijd zal dit archief worden ondergebracht in het Regionaal Archief Rivierenland te Tiel. De cahiers met ringgegevens van de rietgans zijn overgedragen aan dr. B.S. Ebbinge (ex-medewerker RIN). De losse aantekeningen over het vroegere landschap, landgebruik en oude vangtechnieken zijn in losse mappen bewaard gebleven en zullen te zijner tijd in officiële archieven worden ondergebracht.
Voor een beschrijving van de archieven met betrekking tot de goudplevier en eendenkooien wordt verwezen naar de Downloads.
- Ornithologische betekenis
Han Smit heeft als medewerker van het ITBON, dat later met het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON) is opgegaan in het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN), gedetailleerd het landschap en het landgebruik van met name de zoete, natte delen van ons land en de wijze waarop de vogels in die gebieden werden gevangen vastgelegd. Jammer genoeg heeft hij om allerlei redenen die gegevens maar voor een deel zelf kunnen uitwerken en publiceren. De basisgegevens heeft hij echter tot aan zijn overlijden gekoesterd. Ze zijn daardoor zorgvuldig bewaard gebleven en zullen te zijner tijd zijn in officiële archieven worden ondergebracht.
- Downloads
- Over de archiefvormer
uit: K.H. Voous, In de ban van vogels, Uitgeverij Scheffers, 1995. [29.XII.1993]
SMIT, Johan Jan, 28 november 1928 - 17 januari 2018, technisch ornitholoog. Han Smit, geboren in Wormerveer, groeide op in het Zaanse polderland en was van jongs af geïnteresseerd in de vogels, de natuur, het landschap en de cultuur waarin hij woonde. In 1955 kwam hij in dienst van het Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur (ITBON te Arnhem, later RIN, na samengaan met het RIVON in 1969). In 1989 verliet hij het RIN met de VUT.
Aanvankelijk assisteerde hij J.A. Eygenraam bij diens onderzoek van Goudplevieren, eenden en eendenkooien. Meer zelfstandig heeft hij met zijn medewerkers (achtereenvolgens Th. Mutter, Weyland en Burgers) vanaf omstreeks 1958 het ringonderzoek van ganzen georganiseerd en uitgebouwd door de medewerking te winnen van alle aloude ganzenvangers, zowel in Friesland ("ganzenflappers", met medewerking van H.T. van der Meulen), als in de polders van Eemland en Arkemheen en langs de Maas. Door zijn enthousiasme en kennis heeft het onderzoek naar de leeftijdssamenstelling (en daardoor populatiedynamica) en de herkomst van in Nederland overwinterende ganzen een grote vlucht genomen. Zodoende legde hij de basis voor het oecologische werk van verschillende watervogelonderzoekers, waaronder thans B.S. Ebbinge.
Han Smit was de leider en uitvoerder van Eygenraams plan om de Grauwe Gans in Nederland weer in te voeren en wel in de zuidoosthoek van Friesland, waar deze soort van oudsher broedde. Een aantal voornamelijk uit Denemarken afkomstige Grauwe Ganzen werd vanaf 1961 uitgezet in het staatsnatuurreservaat De Rottige Meenthe bij Nijetrijne, gemeente Weststellingwerf. Uiteindelijk is het plan geslaagd, zodat er in 1980 al 70 paren en honderden onvolwassen vogels in en rond het reservaat rondvlogen. Dit alles is door Smit beschreven in "Vogels in Friesland" (Van der Ploeg et al. 1976). De vele Grauwe Ganzen, die nu in Nederland broeden of er rondzwerven, zullen stellig voor een deel uit dit herintroductie project zijn voortgekomen. maar de mate ervan is door de vrijwel gelijktijdig plaatsgevonden explosieve ontwikkeling van de broedvogelpopulatie in de Oostvaardersplassen niet meer te achterhalen.
Smit schreef voorts over vangst en herkomst van in Nederland overwinterende ganzen in De Levende Natuur (met J. Burgers, 88, 1987) en over de taxonomie en geografische herkomst van in ons land overwinterende Rietganzen (aan de hand van 13.064 tussen 1954 en 1986 gevangen en geringde vogels) in Ardea (J. Burgers, J.J. Smit & H. van der Voet, 79, 1991). Met K.H. Voous en L. Hartsuijker rapporteerde hij over het voorkomen van Sushkins Ganzen Anser fabalis "neglectus" in Nederland in Limosa (46, 1973). Eendenkooien beschreef hij in het door het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN) samengestelde boek Levensgemeenschappen (Wageningen, 1979, 2de druk 1984) en voorkomen en trek van "zwemeenden" Anas in Natuurbeheer in Nederland, Dieren (Wageningen, 1983).
Behalve watervogels kregen ook de Nederlandse weidevogels zijn aandacht. Bekend is zijn beschrijving van de vogelvangst in de hooilanden in Vogels van de grote rivieren (Utrecht, 1979) en bovenal zijn rapport Het Eemland en de polder Arkemheen rond het begin van de twintigste eeuw (RIN-rapport 1988/48), waarin zowel de vogelstand als het landgebruik worden beschreven. Dit rapport vormt tevens de grondslag van het in samenwerking met R.J.S. Terlouw tot stand gekomen boek, Vogels in het Eemland: de ontwikkeling van de vogelstand en het agrarisch gebruik vanaf 1900 (Utrecht, 1991).
Smit is altijd rustig en bescheiden te werk gegaan. Zijn kennis van traditioneel graslandgebruik en van de vangtechnieken van de vogelvangers is groot. Hij heeft die kennis in geschrift willen vastleggen, vóór die door nieuwe ontwikkelingen verloren zal zijn gegaan.
Necrologie
Désiré Karelse, In Memoriam: Han Smit vogel(-vangers)kenner, 28 november 1928 – 17 januari 2018, "Het Kijkgat" (Mededelingenblad van de Kooikersvereniging), 34: 6-7, december 2019