Deze website is in opbouw.

 Arie Anton Tjittes

 

  • Periode: 1915-1981
  • Archiefinstelling: Streekarchivaat Noordwest-Veluwe
  • Locatie: Leersumse Veld, omgeving Driebergen, kust voormalige Zuiderzee bij Harderwijk, Veluwemeer, Flevoland
  • Provincie: Gelderland, Utrecht, Flevoland
  • Soorten: Geoorde Fuut, Korhoen, Grauwe Gors, Kwartelkoning, Duinpieper
  • Bron:  Dagboeken

 

  • Inleiding

Op 10 november 1961 werd in Harderwijk de Vogelbeschermingswacht Noord-Veluwe opgericht. Nog voordat een officieel bestuur was geïnstalleerd, namen de aanwezigen het besluit om Aat Tjittes (AT) tot ere-voorzitter te benoemen. Deze benoeming was tekenend voor de positie die Tjittes in die tijd innam onder de regionale vogelaars. Hij stond bekend als een kenner van de regionale avifauna die altijd bereid was zijn kennis met anderen te delen. Ook stimuleerde hij jonge vogelaars door ze bij hem thuis uit te nodigen om zijn boeken te raadplegen. Na zijn overlijden kwamen de dagboeken van AT terecht in het Veluws Museum van Oudheden, nu Stadsmuseum Harderwijk geheten. In 2020 zijn de dagboeken via de Werkgroep Ornithologisch Erfgoed overgedragen aan het Streekarchief Noordwest-Veluwe te Elburg.

 

  • Archiefbeschrijving

Het archief bestaat uit dagboeken van alle jaren tussen 1915 en 1981. In totaal heeft hij 6377 dichtbeschreven pagina's op folioformaat nagelaten. In zijn dagboeken noteert AT vrijwel dagelijks welke vogels hij in zijn omgeving ziet. Daarnaast gaat, zeker in de eerste decennia, veel aandacht uit naar wilde planten, insecten en paddenstoelen. In de dagboeken beschrijft hij ook uitgebreid zijn waarnemingen tijdens buitenlandse reizen (o.a. Camargue, Neusiedlersee, Pyreneeën). Verder geven de dagboeken een goede indruk van de vele contacten die AT met andere ornithologen had. Bekende wetenschappers als H. Kluyver, H. Klomp en L. Tinbergen rekende hij tot zijn vrienden. Zijn dagboeken geven een goede inkijk in het dagelijkse leven van een tuberculosepatiënt. Vooral na 1960 vinden we in zijn dagboeken ook aantekeningen over bezoeken aan concerten, dierentuinen en vergaderingen van natuurverenigingen. In deze archiefbeschrijving is een passende periode-indeling gekozen. Voor een volledige beschrijving zie onder Downloads.  Wij geven hier de belangrijkste aantekeningen met avifaunistische betekenis.

Utrechtse Heuvelrug (1915-1935)

Zijn woonplaats is Driebergen. Aanvankelijk krijgen in zijn dagboeken vooral planten en paddenstoelen veel aandacht. Dat verandert na een bezoek aan het Leersumse Veld, een heideveld met uitgestrekte vennen. In 1916 worden hier voor het eerst in ons land broedende Geoorde Futen aangetroffen. Jaarlijks rapporteert AT over de broedvogelstand in dit gebied. In 1925 begint hij een nestkastenproject bij Driebergen. Begin jaren dertig voert Tjittes op verzoek van het Vogeltrekstation in het najaar dagelijks trektellingen uit op de Maarnsche Heide. Vanuit Driebergen gaat hij af en toe naar de Zuiderzeekust tussen Nijkerk en Nunspeet.

Ringstation Harderwijk (1935-1940)

Hij verhuist naar Harderwijk. Minstens eenmaal per week maakt hij een wandeling langs de kust ten zuiden van de stad. Deze wandelingen leveren een goed beeld op van de veranderingen na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932. Van een groen strand waar veel steltlopers te zien zijn, verandert de kustlijn in een dichte rietzoom met Grote Karekieten. In de Stadswei blijken Grauwe Gors en Kwartelkoning te broeden. Ook Hoophuizen en de monding van de Hierdense Beek worden regelmatig bezocht. Hier broeden Grauwe Klauwier, Zomertaling, Slobeend, Grutto en Kemphaan. In oktober 1936 gaat AT weer trekvogels tellen, nu op een plek langs de kust iets ten zuiden van de stad. Nauwkeurig houdt hij ook het aantal foeragerende Kleine Zwanen bij. Door de verzoeting van het IJsselmeer stijgt het aantal en reeds in 1936 zijn er bijna duizend. In augustus 1937 richt hij met hulp van Van Dobben (Vogeltrekstation) een vangplaats ten zuiden van de stadsmuur in. AT weet Van der Pitte, een ervaren vogelvanger, over te halen om zangvogels te vangen die AT dan zelf ringt. In de najaren van 1937, 1938 en 1939 vangt Van der Pitte honderden Vinken, maar ook Putters, Grauwe Gorzen, Fraters, Sneeuwgorzen en een Klapekster.
Bij Harderwijk bezoekt Tjittes vaak het braakliggende land bij de Asbestonafabriek ten noorden van de haven. Hier ziet hij groepjes Strandleeuweriken, Fraters en Sneeuwgorzen. Blijkbaar is er ook een strandje, want regelmatig noemt Tjittes soorten als Bontbekplevier en Bonte Strandloper voor dit gebied. Vanaf 1937 bezoekt AT nesten van roofvogels. In juli en augustus 1937 ziet Tjittes voor het eerst groepen overzomerende Dwergmeeuwen bij Hoophuizen. Dit verschijnsel was toen al enkele jaren bekend bij Luuk Tinbergen die er in 1937 over publiceerde in Limosa.

Tweede Wereldoorlog (1940 - 1945)

In de loop van 1941 begint AT ook aantekeningen te maken over het oorlogsverloop. Op 18 april 1945 wordt Harderwijk bevrijd. In juni fietst AT naar de Eempolders bij Bunschoten die gedeeltelijk onder water staan. Hier heeft zich een kolonie Witwangsterns gevestigd.

Tuberculose (1946 - 1950)

Begin 1946 wordt bij AT tuberculose vastgesteld. Achterin de tuin verschijnt een draaibaar tbc-huisje dat "de Hal" wordt genoemd. Jarenlang moet Tjittes hier rust houden. Ook vanuit de Hal houdt Tjittes bij welke vogels hij ziet. In de nachtelijke uren hoort hij regelmatig Steenuil en Kerkuil roepen. Vanaf zijn bed heeft hij uitzicht op een stuk lucht en wat bomen. Bij de vogels die hij noteert, zitten interessante soorten als Bonte Vliegenvanger, Fluiter, Nachtegaal, IJsvogel, Lachstern, Slechtvalk en Zeearend. Pas in oktober 1950 is hij volledig hersteld.

Rustige jaren (1951 - 1956)

AT is weer in staat allerlei plekken rond Harderwijk per fiets te bezoeken: Leuvenumse Bos, Speulderbos, Leemputten van Staverden, Stakenbergse Heide, Hulshorster Zand en Hoophuizen. Rond Harderwijk en Hierden volgt AT het broeden van Turkse Tortels. Na het eerste broedgeval in 1950 bij Oldebroek vestigt deze soort zich ook rond Harderwijk. De vele eendenfokkerijen spelen hierbij een belangrijke rol. Ook het bezoeken van nesten van Havik, Buizerd, Sperwer en Zwarte Specht wordt weer opgepakt.

Oost-Flevoland (1957 - 1966)

Nadat de Knardijk naar Lelystad eind 1954 voltooid is, wordt deze dijk twee jaar later opengesteld voor autoverkeer. Vanaf begin 1957 begint de nieuwe polder langzaam droog te vallen. De moddervlakten trekken duizenden vogels aan. Vele malen, soms twee- of driemaal per week, gaat AT met vrienden en kennissen een 'rondje Flevoland' doen. Soorten die in grote aantallen worden aangetroffen zijn Wintertaling, Pijlstaart, Slobeend, Kluut, Kemphaan, Grutto en Velduil. Bij de aanleg van de dijk naar Elburg zijn in het Veluwemeer enkele eilandjes aangelegd. In de jaren 1957 -1960 gaat AT met zijn vrienden Wolff en Nuijen in een roeiboot naar het vierde eilandje om daar nesten te tellen. In die jaren broeden er Grote Sterns met in 1959 zelfs 169 nesten. Ook de Krooneend blijkt daar te broeden.

Zuid-Flevoland (1967 - 1975)

In 1959 wordt begonnen met de aanleg van de ringdijk van Zuid-Flevoland en de dijk van Lelystad naar Enkhuizen. In de loop van 1968 wordt de bodem van de nieuwe polder zichtbaar en begint de ontginning. In april 1967 lukt het AT om een vergunning te krijgen voor de nieuwe dijken. Minstens eenmaal per week maakt AT in die jaren een vogeltoer rond Zuid-Flevoland.

 

  • Ornithologische betekenis

De betekenis van AT voor de Nederlandse ornithologie ligt vooral in de periode vóór 1960. Het aantal waarnemers was toen nog klein en lang niet alles werd gepubliceerd. Zijn aantekeningen over de broedvogels van het Leersumse Veld bleken bijzonder waardevol te zijn voor de schrijvers van de Avifauna van Midden-Nederland (1971). Na zijn verhuizing naar Harderwijk verzamelt AT veel gegevens over de rijke vogelstand van het kustlandschap bij Harderwijk. Zijn dagboeknotities maken duidelijk hoe de kuststrook met een lage brakwatervegetatie na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 veranderde in een kust met een brede rietzoom. Hoewel de vogelstand van Flevoland veel aandacht in de dagboeken krijgt, zijn die aantekeningen van minder betekenis omdat velen dit gebied bezochten en daarvan verslag deden in vogeltijdschriften.
Voor de geschiedenis van Harderwijk is niet alleen de aanleg van de vinkenbaan eind jaren dertig interessant, maar ook zijn beschrijving van de toestanden in de oorlogsjaren.

Als lid van de Nederlandse Ornithologische Vereniging stuurde AT zijn bijzondere waarnemingen door naar de redactie van Limosa. Behalve in Limosa zijn er ook waarnemingen te vinden op de website van Avifauna Gelderland. Na het doornemen van de dagboeken zijn door de WOE ruim 750 waarnemingen van AT op www.waarneming.nl geplaatst.
Gelet op de omvang van de dagboeken is het verwonderlijk dat AT zelden iets publiceerde. Wel verschenen over de vinkenbaan twee korte mededelingen in Limosa. Over de vestiging van de Turkse Tortel in ons land zijn twee artikelen van hem bekend. In 1975 schreef zijn vriend Huib Kluijver een aardig stuk in  Bij dit artikel is een mooi portret gevoegd, getekend door zijn vriend Marius Kolvoort.

 

  • Downloads
Achtergrondinformatie dagboeken Aat Tjittes, 1915 1982
PDF – 156,2 KB 59 downloads

 

  • Over de archiefvormer

uit: K.H. Voous, In de ban van vogels, Uitgeverij Scheffers, 1995. [18.XI.1989]

TJITTES, Arie Anton, 10 februari 1891 - 13 april 1982, leraar algemene vakken aan de toenmalige ambachtsschool en fervent vogelwaarnemer. Aat Tjittes groeide op in Den Helder en woonde als onderwijzer achtereenvolgens in Driebergen en vanaf 1935 tot aan zijn overlijden in Harderwijk.

Vanuit Driebergen bezocht hij regelmatig het Leersumse Veld met zijn daar broedende Geoorde Futen en Dodaarzen. Ook controleerde hij nestkasten in de omgeving van Driebergen ten behoeve van het onderzoek van G. Wolda.
In 1937 richtte hij met ondersteuning van H.N. Kluijver en W.H. van Dobben het Ringstation Harderwijk op, dat in nauwe samenwerking met het Vogeltrekstation Texel en bijgestaan door de beroepsvinker C.D. van der Pitte, tot en met 1939 werkzaam is geweest op een oude, geconcentreerde trekroute van Vinken en Spreeuwen niet ver van de voormalige Zuiderzeekust. De ringverslagen daarvan verschenen in Limosa (Tjittes 1939, 1940). Na de inpolderingen van Flevoland en het droogvallen van de polder Zuidelijk Flevoland in 1957 is de eens beroemde dagtrekconcentratie bij Harderwijk in niet onbelangrijke mate verlegd of vrijwel verdwenen. Het Ringstation Harderwijk leverde in october 1939 42 Groenlingen voor het promotie-onderzoek van P.H. Damsté bij G.J. van Oordt te Utrecht.

Tjittes heeft reeds spoedig in Harderwijk enige jaren voor herstel van een lichte tuberculosebesmetting gekuurd in een ligtentje in de tuin van zijn huis. Hij verrichtte er veel vogelwaarnemingen. In hun gastvrije woning aan de spoorbaan door Harderwijk hebben hij en zijn vrouw Nelly sedertdien talrijke vogelvrienden ontvangen, vooral in de tijd dat de ongekende vogelrijkdom van de Knardijk en het langzaam droogvallende en met moerasandijvie en riet begroeide Oostelijk Flevoland (1954 en later) het doelwit was van vogelaars uit binnen- en buitenland. Samen met H. Englander (Keulen), H. Klomp, H.N. Kluijver, E.D. Maaldrink, A.B.H. Wolff en vele anderen heeft hij vogelexcursies in de hoogtijdagen van de polderontginning gemaakt, vaak onder zijn leiding. Velen, speciaal ook jongeren, heeft hij met zijn kennis en zijn uitgebreide bibliotheek op het pad van de ornithologie geholpen. Hij ging er prat op, dat acht van zijn jonge vrienden uiteindelijk hoogleraar (niet allen biologen) zijn geworden, waaronder Luuk Tinbergen en Herman Klomp.
In 1961 richtte hij met onder meer N. van de Beek, G. van den Brink en A. Smit de Vogelwacht en Vogelwerkgroep Noord-Veluwe op, waarvan hij reeds spoedig erelid werd. Hij was ook een trouwe bezoeker van de vergaderingen van de Nederlandse Ornithologische Vereniging (NOV/NOU), waarvan hij sinds 1922 lid was. Tjittes is veel in het veld geweest en heeft veel waargenomen, maar weinig gepubliceerd. Winterwaarnemingen bij Harderwijk, 1939-1940, toen wilde Knobbelzwanen in Nederland nog iets bijzonders waren, schreef hij op uitnodiging van de redactie van Ardea (1940). Het verschijnen van de Turkse Tortel in Nederland in 1949-1950, met als bruggehoofd de eendenfokkerijen bij Harderwijk en Ermelo en de daardoor korte tijd beroemd geworden dokterstuin in Oldebroek en de pastorietuin in Hierden, heeft hij in enkele korte mededelingen in Ardea gedocumenteerd (Tjittes 1950, 1952, Tjittes & E. van Koersveld 1952). De ontdekking van een Provençaalse Grasmus bij Hoophuizen begin april 1959 was voor hem een hoogtepunt (Limosa 32, 1959): in zeker opzicht is Tjittes altijd een soortenjager geweest.

Tjittes' belangstelling ging evenwel verder en zijn kennis en belezenheid waren groot, ook op het gebied van planten, geologie en gesteenten. Zijn talrijke reizen in Europa, van Fins Lapland tot Zuid-Spanje, samen met zijn vrouw en vaak vergezeld van H. Nuijen en Wolff, hebben zijn blik verder verruimd. Hij heeft het voormalige vogelparadijs de Camargue in Zuid-Frankrijk volgens zijn zeggen 15 maal bezocht en daar in 1931-1932, vrijwel gelijktijdig met Van Oordt het broeden van de Witwangstern vastgesteld (zie Van Oordt & Tjittes - Ardea 22 (1933): 107-138).

De vele dagboeken van zijn dagelijkse waarnemingen en zijn reizen zijn mede door de zorg van de ook ornithologisch geïnteresseerde longarts D. Bergsma (Ermelo, later Harderwijk), ondergebracht in het Veluws Museum van Oudheden te Harderwijk. Zij zijn het waard uitvoerig te worden bestudeerd en te worden geanalyseerd.

Publicaties

Zie Kluijver H.N. 1975.

Biografieën

van de Beek N. 1982, A.A. Tjittes, Anser 20(2).

Kluijver H.N. 1975, A.A. Tjittes, een ornitholoog, die op de Veluwe woont, het Vogeljaar 23: 50-51.