Deze website is in opbouw.

Willem van Dobben

 

  • Periode: 1918-1999
  • Archiefinstelling: Heimans en Thijsse Stichting, Amsterdam
  • Locatie: Texel, NW-Friesland, Schokland, Vlieland, Rottum, ’s-Gravenhage, Harderwijk, Wanneperveen, Oostvaardersplassen
  • Provincie: Noord-Holland, Friesland, Flevoland, Groningen, Zuid-Holland, Gelderland, Overijssel
  • Soorten: Aalscholver, Blauwborst, Bonte Kraai, Kauw, Kleine Mantelmeeuw, Roek, Spreeuw, Veldleeuwerik, Vink
  • Bron: Waarnemingen in (veld)notitieboekjes. Manuscripten, correspondentie en uittreksels en overdrukken van publicaties

 

  • Inleiding

Met Jan Verwey behoort Wim van Dobben (WvD) tot de pioniers van het vogeltrekonderzoek in ons land. Zoals Verwey rond 1920 het Vogeltrekstation Noordwijk organiseerde, is de naam van Van Dobben onlosmakelijk verbonden aan de start van het Vogeltrekstation Texel in 1931. Bij het grote publiek werd Van Dobben vooral bekend door het boekje "Wat vliegt daar?" dat van 1937 tot 1990 16 drukken beleefde.

 

  • Archiefbeschrijving

Het archief van WvD bestaat uit vier onderdelen:

- Notitieboekjes c.a. 1920-1966;

- Stukken over vogeltrek, de vinkenbaan en Vogeltrekstation Texel;

- Manuscripten, correspondentie met ornithologen, uittreksels en overdrukken van publicaties

- Fusieplannen Nederlandse Ornithologische Unie

Notitieboekjes c.a. 1920-1966

Twintig notitieboekjes (ongeveer formaat A6), met de meeste notities uit 1929-1940.
De waarnemingen zijn zo te zien direct in het veld genoteerd en staan op volgorde van datum. Binnen eenzelfde datum meest chronologisch per (sub)gebied. Waarschijnlijk zijn veel waarnemingen van WvD direct verwerkt in overzichten, publicaties en waarnemingsrubrieken. In de jaren 1930 verschenen er jaarlijks artikelen over vogeltrek, veelal van zijn hand en vaak als publicatie van ‘het Vogeltrekstation Texel’ in Ardea, in het Orgaan der Club van Nederlandsche Vogelkundigen en in Limosa.
In de notitieboekjes en in de archiefdelen B (Journaal Vinkenbaan), C (Vogeldagboek 1933) en D (Vogeltrekwaarnemingen) staan ook niet gepubliceerde waarnemingen, inclusief die van G.F. Makkink. Voor de Waddeneilanden is dat voor zover mogelijk nagegaan en dan blijkt dat waarnemingen wel zijn opgenomen in de avifaunalijst van Vlieland (Spaans & Swennen 1968) en Rottum (Braaksma 1965), maar niet in die van Texel (Van Orden 1963, Dijksen & Dijksen 1977, Dijksen 1996), Ameland (Versluys et. al. 1997) en Schiermonnikoog (Mooser 1973, Stuurgroep Avifauna Schiermonnikoog 2005).
In de notitieboekjes staan geregeld beschouwingen, reflecties, samenvattingen en conclusies over actuele onderwerpen. In de periode 1929-1940 was Van Dobben merendeels als amateur-ornitholoog actief. Voor een nadere toelichting op de inhoud van de afzonderlijke boekjes, zie onder Downloads.

Stukken over vogeltrek, de vinkenbaan en Vogeltrekstation Texel

- Journaal Vinkenbaan Alloo op Texel 1936-1938 (1939)

Half oktober 1936 werd de vinkenbaan aangelegd onder leiding van de oud beroepsvinker D. Hoos (oome Dirk) uit Monster. Hoos nam Jan Bouma mee (Ringstation Wassenaar). H. Kluyver en A. Daanje zijn ook aanwezig. In overleg met onder andere Staatsbosbeheer regelen ze een geschikt perceel, een keet en hout voor de druip. Na bijna een week opbouwen en slecht weer met storm en regen, slaan ze op 22 oktober de eerste Spreeuwen (20), Sijzen (8), Kneu, Ringmus, Geelgors, Graspieper en Vink. Op die dag vloog een jonge Zeearend langs. Op 17 november sluit het eerste vangseizoen. Tijdens de voorjaarstrek in april 1937 slaan ze enkele tientallen vogels, vooral Kneu, Vink en Keep. In het Journaal staat een uitgebreide toelichting over de verzorging van gekooide lokkers gedurende de winter en zomer.
In september 1937 bezoeken ze de vangplaats Hoophuizen bij Harderwijk en doen ervaring op met open netten voor Kneuen, wipspreeuwen, aanleg van een ‘tuintje’ om Kneuen aan te trekken, uitstrooien van een zwarte mestachtige smurrie om Spreeuwen naar de baan te lokken en het scheppen (vangen) van laagvliegende zwaluwen. In de laatste week van deze maand beginnen ze met het vangen op Texel. In zes weken tijd werden 868 vogels gevangen waaronder geregeld Geelgorzen en een Grote Pieper. Bezoekers waren onder andere H. Croockewit, H. Fischer, F. Koster, G.F. Makkink, J. Sluiters en J. Verwey.
In september 1938 organiseert WvD twee Vogeltrekkampen en tussen de vangerij door beluistert hij vooral het Britse weerbericht. Op basis hiervan raadt het A.N.P. het landelijke netwerk van vogeltrektellers aan de volgende ochtend wel of niet trekvogels te gaan tellen!

21 oktober 1938 doet zich ‘een ramp’ voor. Ze vangen veel vogels (216), maar de vangers ‘zijn zeldzaam gedupeerd, omdat er geen ringen zijn’. Ze plaatsen de vogels in een snel gebouwde volière. Die volière blijkt ’s nacht bezocht te zijn door ratten die vogels doodden of lieten ontsnappen. Pas op 26 oktober ontvangen ze 300 vurig gewenste ringen van Kluyver. Na de laatste vangdag op 13 november staat de teller van dit seizoen op 1249 (waarvan 352 niet geringd). Meest talrijk zijn Vink (885), Keep (140) en Ringmus (49). Bijzondere vangsten zijn onder meer Paapje (2), Goudhaan, Sperwer (4), Torenvalk (2) en Klapekster. Ter bestudering van oriëntatie en vliegrichting werden 115 Spreeuwen speciaal gemerkt en in Frankrijk losgelaten.
Achter in het Journaal zijn 20 pagina’s gewijd aan het vangen, de baan, de netten met situatietekeningen en foto’s en dat is inclusief de waarschijnlijk historisch belangrijke ‘Opmerkingen voor het vangen opgetekend uit de mond van de hr Hoos’. Notities over geringde vogels en het weer uit de periode 27 september t/m 30 oktober 1939 staan in  Notitieboekje XVI. 

- Correspondentie over vogeltrek, vinkenbaan, Vogeltrekstation Texel uit 1930-1947

Bevat onder meer brief 1961 en foto van H. Geyr von Schweppenburg (zie W.H. van Dobben 1980. De kinderjaren van het Vogeltrekstation. Limosa 53: 129-136); krantenartikel trekvogelonderzoek; brieven van en soms aan Luuk Tinbergen, Dirk Hoos, Jan Verwey, Jan Joost ter Pelkwijk, H. Kluyver, G.J. van Oordt, L.F. de Beaufort en anderen. Vogelvergunning 1939. Foto’s uit de jaren 1928-1938.

- Stukken Stichting Vogeltrekstation Texel

Stukken van het bestuur van het Vogeltrekstation Texel, later Stichting Vogeltrekstation (kopieën en stencils). Statuten 1931. Jaarverslagen 1935, 1936, 1939 en 1940. Aantekeningen en brieven bestuurszaken 1936, 1940, 1945, 1959, 1965, 1966, 1969, 1970, 1971, 1972 en 1974.
Circulaires over onderzoek van de Stichting 1937, 1939, 1941, 1942, 1943, 1952 en1970.
Agenda’s en verslagen bestuursvergadering 1946, 1949, 1959, 1961, 1963, 1965 t/m 1974.
December 1965-nummer van ‘Op het Vinketouw’.

- Cahier met aantekeningen per vogelsoort en met vogeldagboek 1933

‘Ingang voorzijde’: Aantekeningen per vogelsoort (op systematische volgorde) over voorkomen, broeden, trek in Nederland en West-Europa. Uittreksel uit literatuur. ‘Ingang achterzijde’: Vogeldagboek met waarnemingen van de periode 24 september 1933 – 8 januari 1934.

- Vogel(trek)waarnemingen

Gedrag Wilde Eend 1931-1932 van WvD en G.F. Makkink. Schiermonnikoog september-oktober 1932 van G.F. Makkink. Niet-zangvogels september-oktober 1932 van Vlieland (W.H. van Dobben), Ameland (P.B. Jansen), Schiermonnikoog (G.F. Makkink).
Rottum augustus-september 1933 van G.F. Makkink. Amsterdam augustus 1936 van K.H. Voous.

Manuscripten, correspondentie met ornithologen, uittreksels en overdrukken van publicaties zie onder Downloads.

Fusieplannen Nederlandse Ornithologische Unie zie onder Downloads.

 

  • Ornithologische betekenis

De betekenis van WvD voor de ornithologie in Nederland en West-Europa is groot. Voor ons land is zijn pionierswerk wat het onderzoek van vogeltrek betreft van grote betekenis. Voor biografische informatie, zijn bijzondere activiteiten, functies en publicaties wordt ook verwezen naar Wikipedia. Het besproken archiefmateriaal voegt waarde toe aan zijn vele publicaties: originele aantekenboekjes, correspondentie, reflectie op het ontstaan van de Nederlandse Ornithologische Unie, beschouwingen over vogeltrek, en ongepubliceerde waarnemingen.

 

  • Downloads
Wim van Dobben, notitieboekjes
PDF – 194,4 KB 57 downloads
Wim van Dobben, diverse achtergrondstukken
PDF – 131,0 KB 51 downloads

 

  • Links

 

  • Over de archiefvormer

Uit: K.H. Voous, In de ban van vogels, Uitgeverij Scheffers, 1995. [5.VIII.1989]

Van DOBBEN, Willem Hilbrand, 22 september 1907 – 19 mei 1999, veldornitholoog, landbouwbotanicus en hoogleraar plantenoecologie. Wim van Dobben werd geboren op de Nederlands-Hervormde pastorie te Weidum, Friesland, en leerde al vroeg de vogels kennen met behulp van Jac. P. Thijsse's Het Vogeljaar (1904), een geschenk voor zijn 11de verjaardag. Hij studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht (1925-1931), waar hij op 25 november 1935 promoveerde bij prof. dr. H.F. Nierstrasz als promotor op het proefschrift Über den Kiefermechanismus der Knochenfische. Het zou evenwel nog lang duren vóórdat de door Van Dobben daarin bepleite combinatie van vergelijkende en functionele anatomie op ruime schaal als een nuttig en vruchtbaar veld van onderzoek zou worden erkend.

Doordat in de crisisjaren na 1929 voor biologen weinig werkgelegenheid te vinden was, wendde Van Dobben zich tot de toen wetenschappelijk al even weinig erkende veldornithologie. Als gezamenlijke eerste leiders van de in januari 1931 op instigatie van W.B. Oort, burgemeester van Texel, opgerichte Stichting "Vogeltrekstation Texel" zetten Van Dobben en zijn studiegenoot G.F. Makkink een eerder begonnen samenwerking voort (1928 op Schokland - zie Van den Brink & Ten Kate 1929; 1930 op Vlieland - zie Van Dobben & Makkink 1931) en verrichtten zij samen vogeltrekwaarnemingen op Vlieland en Rottum, met publicaties in "Ardea" en het "Orgaan der Club van Nederlandsche Vogelkundigen" (Van Dobben 1932, 1936, 1939, 1940; Van Dobben & Makkink 1933, 1935; Van Dobben & Makkink & Van Oordt 1932; Van Dobben & Van Oordt 1932). Vrijwel alle jonge veldwaarnemers uit die tijd hebben als vrijwillige medewerkers deelgenomen aan trekvogelwaarnemingen in Eyerland, Texel, in 1931 en 1932: J.P. Bouma, P.B. Jansen, G.C.A. Junge, F.P.J. Kooijmans, P.G. Op de Coul, J.J. Pelkwijk, M.G. Rutten, J.P. Strijbos, L. Tinbergen, W.T. (Pop) Tijmstra en K. Waldeck (van Dobben 1980: 131). Het is bewonderenswaardig hoeveel pionierswerk in de beginjaren van het "Vogeltrekstation Texel", vrijwel zonder hulpmiddelen door Van Dobben en met het vrijwillig met G.F. Makkink gedeelde, schamele salaris is verricht. In de zomer bivakkeerde het Vogeltrekstation op Texel, dan wel in een afgedankt kippenhok op Vlieland. In de winter genoten zij gastvrijheid van dr. J. Verwey in het Zoölogisch Station in Den Helder.

Vanaf maart-april en october 1933 tot 1937 organiseerde Van Dobben een waarnemingsnet van tegen de honderd, merendeels jeugdige amateurs, veelal leden van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) (waaronder ook H.F. van der Lee en K.H. Voous), die via de door de radio meegedeelde data 's morgens van 7.00-8.00 uur trekwaarnemingen verrichtten aan Bonte Kraaien, Roeken, Kauwen, Spreeuwen, Vinken, Veldleeuweriken en andere gemakkelijk in het veld te determineren, overdag trekkende soorten. De resultaten daarvan, uitgedrukt in trekkaartjes werden zonder dralen in het Orgaan der Club van Nederlandsche Vogelkundigen, Limosa en Ardea gepubliceerd (Van Dobben & Makkink 1934, Van Dobben 1935, 1936, 1937). Deze toonden overduidelijk het bestaan aan van een breedfront-trek over het gehele land en een gestuwde, soms massale trek langs de Noordzeekust en op enkele plaatsen langs de Zuiderzee, volgens de verwachting van de toen nog omstreden theorie van breedfront-trek van H. Geyr von Schweppenburg (1933, 1948). Op slag was op dit terrein de Nederlandse ornithologie in het internationale wetenschappelijke verkeer geraakt en dat is sindsdien zo gebleven.

Voortbouwende op dit resultaat kwamen al spoedig nadere vragen aan de orde. Meer speciaal met betrekking tot Spreeuwen en Vinken werd de vraag gesteld, waar en hoe de langs onze kust trekkende vogels de Noordzee oversteken om hun uiteindelijke doel, de wintergebieden in Engeland en Ierland (door geringde vogels aangetoond), te bereiken. Waarnemingen aan de Franse Kanaalkust werden van primair belang geacht, maar konden, mede gezien de geringe financiële draagkracht van het Vogeltrekstation en de naderende oorlogsdreiging slechts in zeer beperkte mate worden uitgevoerd. Belangrijke, sterk door het weer beïnvloede waarnemingen aan Kaap Gris Nez werden op 21-28 october 1934 door Van Dobben, Makkink en J.J. ter Pelkwijk verricht en op 13 november 1937 door Van Dobben, F.H. Baron van Heerdt en J.Th.W. Montange (Van Dobben, Ardea 33, 1944).

Verplaatsingen van bij ons op de trek gevangen Spreeuwen naar strategisch uitgekozen plaatsen buiten Nederland moesten antwoord kunnen geven op vragen van oriëntatie en richting aanhouden. Reeds in november 1938 slaagden Van Dobben, diens aanstaande vrouw, voorts F.H. van Heerdt en J. Montange er in 600 op Texel, bij Den Haag en Harderwijk op de trek gevangen, geringde en met witte lak gemerkte Spreeuwen met een T-Ford over de Belgische en Franse grens te vervoeren en aan het begin van het Normandische schiereiland te lossen in de hoop deze aan de noordwestelijkste kaap van Normandië, Cap de la Hague, te zien passeren. Mede door zeer slechte weersomstandigheden waren de resultaten mager, maar wèl veelbelovend. Dergelijke verplaatsingsproeven zijn na de Tweede Wereld Oorlog met meer financiële middelen door Perdeck met groot succes herhaald en uitgebreid. Herinneringen aan wat wel eens de "romantische begintijd" van het Vogeltrekstation wordt genoemd, zijn door Van Dobben levendig beschreven in het Vogeljaar (1960) en Limosa (1980).

Nieuw voor zijn tijd is ook Van Dobbens benadering van de herkenning van vogels in het veld, waarvoor hij het boek van Heinrich Frieling, Was fliegt denn da? voor Nederland bewerkte onder de titel "Wat vliegt daar?" (1e druk 1937). Dit kleine werkje, met voor ons gevoel thans als matig te beoordelen kleine afbeeldingen van de hand van W. Goertzen en R. Oeffinger, beleefde na de oorlog zijn 14e druk, hetgeen zijn bruikbaarheid aantoont (met de zgn. 15e druk in 1988 heeft Van Dobben niets te maken). Veel jonge ornithologen zijn er mee opgegroeid.

Op avifaunistisch gebied beschreef Van Dobben de variatie in mantelkleur bij de toen pas in Nederland gevestigde Kleine Mantelmeeuwen op Terschelling (Ardea 20, 1931) en zorgde hij voor de jaarverslagen over trekvogels in Nederland in 1939 en 1940 (Ardea 29 en 30). Over vogeltrek in Nederland schreef hij in 1940 in het Vakblad voor Biologen en stelde hij in 1953 en 1954 belangwekkende overzichten samen voor het internationale ornithologen-publiek (Ibis 95: 212-234; Acta Congressus Internationalis Ornithologici (Bazel 1954) 1955: 165-166).

In 1939 aanvaardde Van Dobben een klein baantje aan het Rijks Proefstation voor de akker- en weidebouw in Groningen. De bescheiden Makkink was intussen reeds in 1936 leraar geworden in Rotterdam. Het werk bij het "Vogeltrekstation Texel" werd overgenomen door L. Tinbergen. Tot 1968 zou Van Dobben werkzaam blijven aan landbouwinstituten, vanaf 1942 in Wageningen (Centraal Instituut voor Landbouwkundig Onderzoek). Hij was in deze functie een even enthousiast onderzoeker en publiceerde even originele stukken over practische, theoretische, fysiologische en oecologische aspecten van de graanbouw als tevoren over de vogeltrek. Een van zijn latere werken op het gebied van de graanteelt was een eenvoudig, maar essentiëel onderzoek over mogelijke ganzenschade aan ingezaaide wintertarwe (1956).

Daartussen door had hij een ander omstreden en "practisch" onderwerp bij de kop genomen: het voedsel van de Aalscholver (Ardea 40, 1952), later uitgebreid met belangwekkende beschouwingen over preventie van schade aan de commerciële visteelt nadat Aalscholvers zich vanaf 1978 als broedvogel in de Oostvaardersplassen hadden gevestigd (zie voorts het Vogeljaar 30 (1982):317-320, een reactie op Voous 1982). Op een themadag van de Nederlandse Ornithologische Unie (NOU) op 29 april 1989 "gewijd aan de Aalscholver, een vogelsoort die zich recentelijk heeft kunnen herstellen van de zware verliezen die de boombroedende ondersoort sinensis heeft geleden ten gevolge van watervervuiling, vervolging en verlies van viswater", sprak Van Dobben over "Vijftig jaar na Wanneperveen" (de plaats van het eerste onderzoek). Deze lezing werd op de convocatie van de vergadering terecht aangekondigd als "een unieke kans kennis te nemen van de ervaringen van één van de pioniers van het oecologisch onderzoek aan de soort in 1938 en 1939".

Een vierde fase in Van Dobbens wetenschappelijke leven trad in bij zijn benoeming in 1968 tot directeur van het Instituut voor Oecologisch Onderzoek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, als opvolger van H.N. Kluijver. Dat was een kolfje naar Van Dobbens hand, want hij kon nu oecologisch onderzoek aan planten èn dieren organiseren en begeleiden. Op ornithologisch gebied werkten daar toen onder anderen J.H. van Balen, A.J. Cavé, J.A.L. Mertens, A.C. Perdeck en B.J. Speek.

Tenslotte was zijn benoeming tot hoogleraar in de plantenoecologie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen in 1973, een verdiende bekroning van zijn wetenschappelijke loopbaan. Deze bood tevens een welkome gelegenheid Van Dobbens gedachten en ideeën aan een jongere generatie van studenten door te geven. Zijn inaugurele rede op 30 januari 1974 over "Oecologische nis en oecologische isolatie" toont aan hoe zeer hij zich in de verwarde en verwarrende oecologische begripsvorming had verdiept. Andere lezenswaardige oecologische beschouwingen zouden volgen, maar noch hij zelf, noch zijn twee promovendi (1984) zouden zich in speciale ornithologische problemen (uitgezonderd adviezen aangaande de Aalscholver) gaan verdiepen.

Van Dobben is altijd een sociaal voelend en politiek meelevend mens gebleven, een levensbeschouwelijk filosoof (bijv. "Mens en dier in de wereldgodsdiensten", in: Relatie tussen mens, dier en maatschappij, Pudoc, Wageningen, 1973). Daarenboven was hij een van de vernieuwers van onze nationale ornithologie. Hij is een onafhankelijk en origineel denker, maar invloeden van zijn hoogleraren H.J. Jordan en H.F. Nierstrasz, voorts van J. Verwey, C.T. de Wit (plantengroei en plantaardige producten) en natuurlijk G.F. Makkink en H. Geyr von Schweppenburg, zijn gelukkig onmiskenbaar.

Publicaties

198 titels, waaronder 28 over vogels; zie Ketner P. 1982, Bibliography of the publications of Prof. Dr. W.H. van Dobben, Landbouwuniversiteit Wageningen, Vakgroep Vegetatiekunde.

Biografieën

van Dobben W.H. 1960, Herinneringen uit de eerste jaren van het Vogeltrekstation, het Vogeljaar 8: 66-68.

van Dobben W.H. 1980, De kinderjaren van het Vogeltrekstation, Limosa 53: 129-136

van Dobben W.H. 1994, Uit de oude doos, het Vogeljaar 42: 5-6.

 

  • Aanvulling WOE

In zijn latere jaren was Van Dobben weer geïnteresseerd in de Blauwborstjes van zijn jeugd in Pietersbierum (NW-Friesland). Daarover schreef hij met Joop Jukema een artikel:

van Dobben W.H. & J.Jukema, 1994, De Blauwborst 'Luscinia svecica cyanecula' als broedvogel terug in het noordelijk kleigebied van Friesland, Limosa 67:115-117.